Werkwoordenplacemat

Doel: Studenten passen hun kennis van werkwoordspelling toe in de tegenwoordige, verleden en voltooide tijd. Ze oefenen dit actief met beroepsgerichte werkwoorden.

Duur: Ongeveer 20 minuten

Benodigdheden: pen, werkblad (zie voorbeeld onderaan), bord (voor instructie en werkwoorden)

Uitleg

Studenten hebben vooraf uitleg gekregen over werkwoordspelling in de tegenwoordige tijd, verleden tijd en voltooide tijd. In deze werkvorm oefenen ze deze kennis actief en afwisselend. Ze werken in een placemat-opzet, waarbij elk groepslid een eigen vakje heeft. De placemat bevat verschillende opdrachten met werkwoorden uit de beroepscontext (bijvoorbeeld: tuinieren, composteren, managen, leiden). Na elk opdracht wordt de placemat doorgedraaid.

Stappenplan

  1. Voorbereiden placemat
    Vul de placemat voorafgaand aan de les in met:
    • In het middenvak: tijd + persoon (bijv. tegenwoordige tijd – jullie)
    • In de overige vakken: andere combinaties van tijd en persoon (zodat er variatie ontstaat, bijv. verleden tijd – hij)
  2. Selecteer werkwoorden
    Kies vooraf (of samen met de klas) ongeveer 8 uitdagende werkwoorden die passen bij de beroepsopleiding van de studenten.
    Schrijf deze op het bord.
  3. Uitleg in de groep
    Verdeel de studenten in groepjes van 4 en geef elke groep een placemat.
  4. Werken met de placemat De groep begint met opdracht 1. Iedereen vult deze tegelijk in op zijn of haar eigen plek, met het werkwoord van het bord. Zodra iedereen klaar is, wordt de placemat doorgedraaid en maakt de groep opdracht 2. Dit proces herhaalt zich tot alle 8 opdrachten zijn gemaakt. Elke ronde bestaat dus uit samen maken en daarna doorschuiven naar de volgende opdracht.
  5. Afronden en bespreken
    Bespreek klassikaal:
    • Wat ging goed?
    • Welke werkwoordsvormen leverden fouten op?
    • Welke regels moeten nog worden herhaald?

Tips

  • Snellere studenten:
    Laat hen zelf een lege placemat vullen met 8 uitdagende werkwoorden en verschillende tijden.
  • Differentiatie:
    Gebruik eenvoudigere of juist complexere werkwoorden afhankelijk van het niveau van de groep.
  • Extra verdieping:
    Bespreek lastige werkwoorden klassikaal (bijvoorbeeld Engelse leenwoorden) en herhaal de werkwoordregel actief op het bord.