Doel: Studenten oefenen actief met spelling die past bij hun opleiding of beroep. Zij leren bewust kijken naar correcte en foutieve spelling en worden gestimuleerd om snel na te denken over taalgebruik binnen hun vakgebied.
Duur: ± 10 minuten.
Benodigdheden: PowerPoint of digibord. Slides met woorden of zinnen.
Uitleg
De docent toont steeds twee woorden of zinnen op het bord: één correct gespeld en één fout gespeld. Studenten kiezen in hun hoofd welke spelling volgens hen juist is. De twee opties hebben verschillende kleuren, waardoor studenten ook meteen een kleur kiezen.
Studenten blijven staan zolang zij het juiste antwoord kiezen. Hebben zij het fout, dan gaan zij zitten. Zo vallen er steeds meer studenten af totdat er een winnaar of kleine groep overblijft.
De woorden en zinnen sluiten aan bij de opleiding of beroepscontext van de studenten. De moeilijkheidsgraad kan aangepast worden aan het taalniveau van de groep. Deze werkvorm zorgt voor energie, focus en herhaling van vaktaal en spellingregels.
Stappenplan
- Bereid vooraf slides voor met telkens twee woorden of zinnen:
- één correct gespeld
- één fout gespeld
- Gebruik woorden of zinnen die passen bij de opleiding of beroepsrichting van de studenten.
- Geef beide opties een verschillende kleur.
- Laat alle studenten staan voordat het spel begint.
- Toon een slide en laat studenten in stilte kiezen welke kleur volgens hen correct is.
- Ga naar de volgende slide waarop het juiste antwoord zichtbaar wordt.
- Studenten met het goede antwoord blijven staan; studenten met het foute antwoord gaan zitten.
- Herhaal dit meerdere rondes.
- Sluit af met een korte nabespreking van moeilijke woorden of veelgemaakte fouten.
Tips
- Pas de moeilijkheid aan het taalniveau van de groep aan
- Gebruik vaktaal uit stage of werkpraktijk
- Werk in hoog tempo om de energie erin te houden
- Bespreek opvallende spellingregels kort na afloop
- Laat studenten eventueel zelf nieuwe woorden of zinnen bedenken voor een volgende ronde
